Spelontwikkeling

De spelontwikkeling van een kind
Het is natuurlijk fantastisch om je kleintje te zien spelen, maar wanneer doet hij/zij nu wat? Hieronder staan 5 spelniveaus. Leuk om te weten.

Niveau 1: spelend bewegen (vanaf 3 mnd)
Met spelend bewegen bedoelen we de bewegingen die baby’s maken, zoals bewegen met de handjes, voetjes, blazen, kruipen, stoeien. Kernbegrippen hierbij zijn: Grove motoriek en zintuiglijke verkenning. Een baby speelt niet met materialen. Een baby speelt met zijn eigen lichaam en heeft daar de eerste maanden genoeg aan. Een pasgeboren baby doet heel veel indrukken op. Alle zintuigen worden hierbij aangesproken. Een baby ruikt, proeft, voelt, ziet en hoort de hele dag en beleeft elke dag dingen voor de eerste keer. Het spel dat we tijdens die maanden zien, noemen we Sensopathisch. Dit woord is een samentrekking van twee woorden die staan voor voelen en ervaren. Het spel is dus voelend en ervarend.

Niveau 2: spelend omgaan met voorwerpen (vanaf 10 mnd)
Nu ontdekken kinderen de functies van voorwerpen, aan de hand van ervaringen die ze met speelgoed opdoen. Door het plezier dat ze beleven als ze er – bijvoorbeeld – mee rollen, stapelen of bouwen, gaan ze de beweging herhalen. Zo wordt oorzaak en gevolg ontdekt en de herhaling bevordert ook het plezier in spelen met reactiespeeltjes als rammelaars en dergelijke. Er komt een moment dat een baby in de gaten krijgt dat ze iets in beweging kan zetten. Ze slaat tegen de mobile en ontdekt dat die gaat bewegen. Als je aanwezig bent bij deze toevallige ontdekking van de baby, zal je zien dat het ook écht een ontdekking is. Het kind is verrukt en zal de beweging blijven herhalen. Al snel ontdekt ze, dat ze ook andere dingen kan laten bewegen en ze doet dat dan ook. Van voelend en ervarend – ofwel het ondergaan van indrukken – wordt het kind nu actief en gaat zelf dingen in beweging zetten. Van grijpen naar begrijpen. Als een kind in deze fase zit, dan ontdekt het de wereld. Alle nieuwe voorwerpen worden uitgeprobeerd. Alsof het kind wil weten wat je met iets kunt doen.

Niveau 3: spelend construeren (vanaf 1 1/2 jaar)
Hier leren kinderen spelenderwijs betekenis geven aan spelhandelingen. Van dingen die voorheen op zichzelf stonden, denk hierbij bijvoorbeeld aan duplo, ontdekken ze dat ze een samenhang of relatie hebben met elkaar. Er wordt in deze periode nog veel herhaald. Imitatiespelletjes komen nu op gang; de handelingen van met name volwassenen in de omgeving doen ze graag na. Als het kind eenmaal snapt dat er zoiets is als enige samenhang, wordt speelgoed zoals de vormenkubus, maar ook puzzels populair. Werd er in de vorige fase al gebouwd, dan was dat om te kijken wat er kan met blokken. In deze fase gaan ze blokken uitkiezen op kleur en grootte. Het kind kijkt doelgerichter. Het spel is een uitbreiding van het spel uit de vorige fase. Nog steeds ligt de nadruk op onderzoeken hoe de wereld en de dingen in elkaar zitten.

Niveau 4: fantasie en rollenspel (vanaf 2 à 2 1/2 jaar)
In fantasiespel kunnen kinderen de wereld veranderen zoals zij die willen, hun belevingswereld laten zien en verwerken. Ze leren de samenhang te zien tussen de losse onderdelen en leren betekenis te geven aan spelhandelingen. Ze kunnen uit zichzelf van bestaande voorwerpen in de belevingswereld iets anders maken. Op een gegeven moment gaan ze snappen dat je kunt doen alsof. Je doet alsof je je moeder bent. Wanneer een kind dit net ontdekt, dan zal het in zijn spel nog vaak precies nadoen wat het heeft gezien. Hij bakt de pannenkoeken net zoals mamma of papa dat doet. Of hij geeft de pop op dezelfde manier een prik als de dokter dat gisteren deed. Nieuwe mogelijkheden komen in zicht, wanneer het kind dit ‘doet alsof’ beter snapt. De pannenkoeken kunnen ook in de lucht omgedraaid worden. En de prik bij de pop kan misschien wel in de bil worden gegeven in plaats van in de arm. Kinderen die op dit spelniveau functioneren, geloven op een bepaalde manier in de 'werkelijkheid' van hun spel. Wanneer je als leidster óf ouder een monster speelt dan moet je zorgen dat je dat spel goed afsluit, anders blijf je het monster.

Niveau 5: succes- en gezelschapsspelen (vanaf 5 à 6 jaar)
In dit stadium ontstaat er een steeds groter begrip van spelletjes die aan regels gebonden zijn, zoals op je beurt wachten, vooruit denken enz. Samenwerking wordt ook mogelijk, omdat het kind onderscheid kan maken tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Het leert daardoor dat het met anderen kan communiceren. Het onderscheid tussen de eigen speelwereld en de dagelijkse belevingswereld wordt duidelijk. Als kinderen op dit spelniveau komen, vinden ze het leuk om regels om te gaan. In de vorige fasen gaat het vooral om het spel. Als de regels zijn, dan zijn die er alleen om te zorgen dat je spel blijft lopen. Nu wordt het belangrijk om je te meten met een ander. En dus is het belangrijk om af te spreken hoe je dat doet. Spelregels dus. Pas wanneer kinderen op de basisschool zitten, komen ze op dit spelniveau.

Kenmerkend gebruik van de handen van een kind in de leeftijd tussen 3 en 12 maanden. Bijgaand een tabel.

Schema van handontwikkeling per maand

Kabouters Kinderopvang - Cookies

Kabouters Kinderopvang maakt gebruik van cookies
Zonder cookies is Kabouters-kinderopvang.nl in deze vorm niet mogelijk. We gebruiken echter enkel functionele en analytische cookies die geen persoonsgegevens bevatten en niet tot een individu te herleiden zijn. Indien je deze website bezoekt worden er dus altijd cookies opgeslagen.


Wil je deze website toch bezoeken maar geen cookies? Dan dien je de cookies zelf handmatig te verwijderen.
Klik op 'Meer info over cookies' om te ontdekken hoe je onze cookies handmatig kunt verwijderen.